Breng ‘behandeling’ in de jeugdzorg naar de Zorgverzekeringswet

De arbitragecommissie over jeugdzorg concludeert dat het Rijk 1,9 miljard moet bijleggen bij het budget van de gemeenten voor de uitvoering van de jeugdwet. Bij het onderzoek is geen aandacht besteed aan één cruciale fout uit de decentralisatie operatie uit 2015: overheveling van ‘behandeling’ uit de jeugdzorg naar de Zorgverzekeringswet.

 

De arbitragecommissie onder leiding van Richard van Zwol (was hoge ambtenaar op diverse departementen, nu Raad van State) heeft het evaluatierapport Stelsel in Groei uit december 2020 van Andersson Elfers Felix (AEF) bevestigd en komt tot de conclusie dat het Rijk 1,9 miljard euro aan het budget voor de jeugdzorg moet bijleggen. Het budget van 3,8 miljard euro moet dus met maar liefst 50% omhoog. De noodkreet van de gemeenten was dus volkomen terecht. Zowel in het rapport van AEF als in dat van de arbitragecommissie is alleen gekeken naar de financiën van de jeugdzorg. Terwijl er ook alle reden is om naar het systeem te kijken. 

 

Vreemde scheiding in het systeem

Ben je 17 jaar en je hebt psychische problemen dan val je onder de jeugdzorg. Ben je 25 jaar dan val je onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Ben je 17 jaar en je hebt medisch specialistische hulp nodig val je onder de Zvw. En dat is ook het geval voor een 25-jarige. Als er alleen gekeken wordt naar manieren om de kosten te verlagen komt niet de oplossing van een systeemverandering aan de orde. Het stelsel zou beter worden als ‘behandeling’ binnen de jeugdzorg overgeheveld wordt naar de Zvw. Daarmee kan de huisarts ook de poortwachtersrol pakken in de geestelijke gezondheidszorg van jongeren. In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) is alleen ondersteuning, begeleiding en lichte zorg ondergebracht bij de gemeente en de meer specialistische zorg in de Zvw. Dat zou ook prima kunnen voor de jeugdzorg. Zorg- en hulp bij opvoedingsproblemen, begeleiding en lichte jeugdzorg bij de gemeente en zwaardere zorg naar de Zvw.  

 

Cijfers jeugdhulp 

Bij de decentralisatie in 2015 gingen alle jeugdzorgtaken naar de gemeente, met alle op dat moment beschikbare budgetten bij het Rijk en de provincie. In een tijdsbestek van 3 jaar zouden de kosten van de jeugdzorg met zo’n 450 miljoen door een betere organisatie en meer integratie met andere beleidsterreinen naar beneden kunnen. Die gedachte is totaal niet uitgekomen.  In 2019 is de jeugdhulp ten opzichte van 2015 gestegen naar 12,4% van de jongeren onder 18 jaar. In 2020 loopt het aantal iets terug. Dat is opmerkelijk, omdat 2020 het eerste coronajaar was. Jeugdzorg bij jongeren tussen 18 en 23 jaar is meer dan verdubbeld tussen 2015 en 2020. Onder 18 is van 2019 naar 2020 sprake van een daling van het aantal jongeren in jeugdzorg, maar in de groep 18-23 jaar is er sprake van een stijging van ruim 14%. De problematiek van 18-min en 18-plus is ook een belangrijke reden om behandeling over te hevelen naar de Zvw.  

 

Sociale teams

Voor problemen met kinderen en jongeren moeten ouders aankloppen bij de gemeente. Inmiddels zijn de sociale teams daar behoorlijk op ingespeeld. Maar ouders kunnen ook toegang krijgen tot specialistische jeugdhulp via de huisarts. Als via die weg de specialistische jeugdhulp wordt ingeschakeld gaat de rekening naar de gemeente. Zonder invloed vooraf moet de gemeente betalen. Een specialist die een jongere in behandeling heeft kan ook weer doorverwijzen naar een andere specialist. En ook die rekening gaat naar de gemeente.  In het begin van de decentralisatie was het zoeken naar de juiste samenstelling van de sociale teams. Eerst bemenst met medewerkers van diverse organisaties, maar in de loop van de tijd allemaal in dienst van de gemeente of in een stichting op iets meer afstand. De hoop en verwachting bij de decentralisatie was dat op gemeenteniveau eerder problemen zouden worden herkend waardoor zware zorg langer uitgesteld kon worden of misschien zelfs overbodig zou maken. Dat proces zou geholpen worden door meer integraal ondersteunen. Als de psychische problemen van een kind mede veroorzaakt wordt door werkloosheid of psychische problemen van een ouder, dan kan een sociaal team meerdere ondersteuningslijnen tegelijkertijd inzetten. Het idee van één gezin, één plan, één regisseur. Gemeenten moesten afspraken maken met zorgaanbieders over in te kopen trajecten. Doorverwijzers zouden alleen aan de gecontracteerde partijen kunnen doorverwijzen. Voor het eerst kregen zorgaanbieders te maken met inkopers die wilden weten voor welk probleem ze welke oplossing hadden. Gemeenten wilden resultaatsafspraken maken over behandelingstrajecten. Dat was voor zorgaanbieders heel lastig. Om de simpele reden dat je bij psychische klachten niet precies weet of en wanneer een behandeling aanslaat bij een individu. In het rapport van AEF wordt geconstateerd dat veel aangeboden trajecten niet evidenced based zijn. 

 

Intergemeentelijke samenwerking

De meeste gemeenten hadden wel door dat inkopen van zorgaanbod als zelfstandige gemeente heel lastig is. Dat leverde dus veel intergemeentelijke samenwerking op. Als oud-wethouder van het sociaal domein was ik betrokken bij de samenwerking van alle Groninger gemeenten. Deze samenwerking bood de mogelijkheid om een deskundig inkoopteam samen te stellen. Het leidende motief in het Groningse was dat ieder kind en iedere jongeren in de provincie verzekerd moest zijn van adequate ondersteuning en zorg. Een mooi voorbeeld van de noodzaak om complexe zorg gezamenlijk in te kopen was opname in het Poortje. Een traject kost al snel 150.000 euro op jaarbasis per kind. Heb je toevallig een paar klanten van het Poortje in je gemeente, dan ben je snel door je budget heen. De aanbieder van trajecten in het Poortje kan z’n organisatie niet opbouwen met de onzekerheid van inkopende individuele gemeenten pas op het moment dat de vraag zich voordoet. Met elkaar kun je vooraf op basis van ervaring een aantal plekken inkopen en kan de aanbieder wel een organisatie opbouwen en ontwikkelen. 

 

Gemeenten luiden de noodklok

Een goed jeugdstelsel bestaat uit 4 pijlers: 1. Sterke basis  2. Sterke preventie 3. Sterke sociale teams 4. Intensieve hulp met duurzame effecten De eerste drie pijlers kunnen prima ingevuld worden door gemeenten, maar laat de vierde pijler ingevuld worden door huisartsen met hun praktijkondersteuners en zorgaanbieders binnen de Zvw.  Gemeenten worden zeer beperkt in hun sturingsmogelijkheden doordat huisartsen en specialisten trajecten in gang kunnen zetten en de rekening op het bordje van de gemeente kunnen leggen. Huisartsen weten precies wanneer er doorverwezen moet worden naar de tweedelijns zorg en hebben natuurlijk gezag bij alle actoren. Door alle behandeling onder de Zvw te brengen krijg je eenheid in het systeem en voorkom je dat er gezocht wordt naar oplossingen van het doorschuiven van kosten naar het onderwijs of de Wet langdurige Zorg (Wlz). Het effect van over de muur gooien van kosten bij de buren. Daar wordt het hele stelsel niet beter van. Als de behandeling uit de jeugdzorg naar de Zvw gaat kunnen de gemeenten zich meer bezighouden met het optimaliseren van de integratie van werk- en inkomen, Wmo en Jeugdhulp. De huisarts als poortwachter voor het medische en het sociale team als poortwachter voor het sociale. Sociale teams kunnen dan door zorgaanbieders niet meer verweten worden dat ze te lang zelf ‘dokteren’, omdat ze de specialistische kennis van psychische aandoeningen missen. 

Michiel Verbeek, 7 juni 2021

 

 

© 2019 Michelverbeek.nl - webdesign door Landstra & de Groot webdesign