Een omslagstelsel levert een beter pensioenstelsel op

Het huidige pensioenstelsel heeft een aantal mankementen, het pensioenakkoord biedt eigenlijk geen echte oplossing, maar een omslagstelsel zoals Martin ten Cate dat voorstelt, wel. 

De pensioenuitkeringen zijn al zeker 10 jaar niet geïndexeerd. De baten van pensioenpremies zijn al jaren hoger dan de lasten van pensioenuitkeringen. Ouderen die al met pensioen zijn of die binnenkort met pensioen gaan, zien de pensioenpot, waar ze flink aan hebben bijgedragen, alleen maar groeien, maar ook de dreiging van een korting op de pensioenuitkering. In alle pensioenpotten samen zat in 2018 zo’n 1500 miljard euro. Tel je daar de pensioenpotten van verzekeraars bij op kom je al snel op 1700 miljard euro. In 2019 is de pot verder gegroeid. Voor 2020 is het denkbaar dat door de coronacrisis de rendementen wat lager uitvallen. Jongeren en pensioendeskundigen die voor de jongeren menen op te komen, zijn bang dat er niet genoeg meer in de pot zit als zij aan de beurt zijn. De uitvoeringskosten van het huidige pensioenstelsel zijn extreem hoog. De grote pensioenfondsen hebben in 2019 een rendement gemaakt van meer dan 15%. In de afgelopen 20 jaar lag het gemiddelde rendement boven de 7%. Er is dus meer dan genoeg geld om te indexeren. Volgens de Global pension index van Mercer staat Nederland op 1 met het beste pensioenstelsel in de wereld. Aan de hand van drie onderdelen kan er gescoord worden. Dat zijn adequacy (toereikendheid), sustainability (volhoudbaarheid) en integrity (integriteit). Nederland scoort nergens als beste op een van de drie onderdelen, maar de gemiddelde score over alle onderdelen is wel het hoogst.Hoe komt het nu dat de pensioenpot stampvol zit en ieder jaar voller wordt, gepensioneerden in koopkracht erop achteruit gaan en jongeren bang zijn dat er te weinig in de pot zit als zij met pensioen gaan? Het antwoord is te strenge regels en angst. We hebben een pensioenpot opgebouwd voor slechtere tijden, maar de regels zijn zo gemaakt dat we nooit aan de pot kunnen komen. Met als gevolg spekken van de pot en grote speler zijn op de financiële markten. Hieronder staat een interessant plaatje uit het boek Waar blijft mijn pensioen van Martin ten Cate.

We zien op dit plaatje dat in 2018 32,6 + 30,4 = 63 miljard euro in de pot is gestopt en dat er 30,9 miljard nodig was voor pensioenuitkeringen en 8,4 miljard (27% van de pensioenuitkeringen) voor de uitvoering van het systeem. Samen 39,3 miljard. De pot werd in 2018 gevuld met het verschil van 23,7 miljard. De pensioenpremies zijn voldoende om de pensioenen te betalen. En dat is al jaren het geval. Vanuit de de opbrengsten uit beleggingen kunnen de uitvoeringskosten worden betaald en is er voldoende geld beschikbaar om de uitkeringen te indexeren. Maar dat gebeurt niet, omdat de regels dat niet toelaten. Daarbij lopen we aan tegen het probleem van de rente. De pensioenfondsen moeten de aanspraken in de toekomst in contante waarde beschikbaar hebben. Dat kan berekend worden met de vaste stroom aan inkomsten aan pensioenpremies en opbrengsten uit beleggingen. Maar tegen welk rentepercentage moet dat berekend worden? De rekenrente wordt door DNB (De Nederlandse Bank) gebaseerd op de 6-maands Euribor marktrente en de UFR (Ultimate Forward Rate). Het levert een hele lage, risicoloze rente op. In juli 2020 staat de UFR op 1,9% en de 6-maands Euriobor op -0,33%. De verwachting is dat de UFR nog iets naar beneden zal worden bijgesteld per 1 januari 2021. Ondertussen behaalden de grootste pensioenfondsen een rendement van 15% in 2019 en over de afgelopen 20 jaar 7%. Pensioenfondsen hebben genoeg geld om pensioen te indexeren, maar de regels houdt ze tegen. De pensioenfondsen hebben last van de lage rente. Zou de marktrente omhoog gaan, dan hebben pensioenfondsen weer meer lucht. Maar daar ziet het niet naar uit. Hoe meer geld er in de economie beschikbaar is, hoe lager de rente. En er is veel geld in omloop gebracht. Bijvoorbeeld door centrale banken. De grote spaarpot van de pensioenfondsen helpt zelf ook mee aan de lage rente. Zij brengen immers heel veel geld in de financiële markten.Zit er wel genoeg in de pensioenpot als de vergrijzing toeslaat?Veel pensioendeskundigen wijzen erop dat er in 2018 en 2019 meer dan voldoende in de pensioenpotten zit, maar hoe is dat als we op de top van de vergrijzing zitten? Rond 2040 verwacht het CBS de piek van de vergrijzing. In 1970 had de bevolkingsopbouw nog de vorm van een piramide. In 2040 is het meer een flatgebouw. Het beeld van 2020 zit er tussen in. 

 

In 2019 waren er 3,3 miljoen Nederlanders van 65 jaar en ouder. Volgens de prognose voor 2040 zijn dat er 4,9 miljoen in die leeftijdscategorie. Een stijging van 48%. Stel dat de pensioenuitkeringen in 2040 ook 48% hoger liggen dan in 2019, dan krijgen we: 148% van 30,9 = 45,7 miljard. Een stijging van 14,8 miljard. Als je het plaatje hierboven bekijkt dan kunnen die extra pensioenuitkeringen eenvoudig betaald worden uit de rendementen van de beleggingen. De pensioenpot hoeft niet te worden aangesproken. Maar de regels houden simpele oplossingen tegen! Het is zo geregeld dat de pot alleen maar groter wordt. Normaal spaart iemand om later iets te kunnen kopen of om het inkomen na de actieve werkperiode aan te vullen. Maar een pot vullen om nooit gebruik van te maken is eigenlijk raar. Hier kan het volgende argument tegenin gebracht worden: als we als samenleving de rendementen willen gebruiken voor belangrijke maatschappelijke doeleinden, dan moet de pot in tact blijven. Maar en een jaarlijks overschot en de pot laten groeien betekent ergens anders een krimp van de economie. Dat is nog een extra punt bij ons huidige stelsel. Het geld in de pot wordt niet in Nederland uitgeleend voor nuttige investeringen, maar in het buitenland. Nederland investeert op grote schaal in het buitenland. Meer dan 85% van de pot wordt besteed in het buitenland. Volgens Martin ten Cate hebben we een stelsel gecreëerd waarin we onze pensioenen hebben opgesloten in pensioenfondsen waar we niet aan mogen komen, een staaltje financiële zelfkastijding dat zijn weerga niet kent. 

Het pensioenakkoord

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Wouter Koolmees, heeft hard geknokt voor een stelselwijziging. Persoonlijk wilde hij nog wel een stapje verder gaan in het persoonlijker maken van het pensioenstelsel, maar hij is zeer blij met het bereikte  pensioenakkoord. Verplicht pensioensparen, solidariteit en collectief beheer blijven gehandhaafd. Koolmees wil met het pensioenakkoord drie grote problemen in het huidige stelsel oplossen en twee problemen van de vakbonden. Probleem 1: de rekenrente. Die is gekoppeld aan de meest risicoloze marktrente. Als de rente heel laag is hebben pensioenfondsen een dekkingsprobleem. Voor de dekking van de aanspraken mag het pensioenfonds niet rekenen met de werkelijk behaalde rendementen, maar moeten ze rekenen met die rekenrente. Koolmees wil van dit probleem af door de belofte voor een gegarandeerd inkomen te schrappen. Geen garantie meer vooraf, maar een inspanningsverplichting om een goed rendement te maken op de gespaarde premieopbrengsten. De rekenrente is verbonden aan de belofte vooraf. Die is weg en daarmee de rekenrente ook. Het pensioen zal dan meebewegen met de economie. Het pensioen wordt daardoor transparanter en persoonlijker. Jonge mensen kunnen bijvoorbeeld kiezen voor een wat risicovollere belegging en ouderen tegen de tijd dat ze met pensioen gaan juist voorzichtiger. Probleem 2 is de doorsneesystematiek. Daar wil Koolmees ook vanaf. Met de doorsneepremie wordt bedoeld dat iedereen dezelfde premie betaalt als percentage van zijn of haar inkomen, en dat ieder gewerkt jaar op dezelfde manier meetelt in de pensioenopbouw. Dit vindt Koolmees onterecht, omdat de premie van een jongere nog decennia kan renderen of oprenten, waar dat bij een oudere slechts beperkt blijft tot de enkele jaren die nog resteren tot zijn of haar pensioen. Dit is tot voor kort nooit als een bezwaar gezien, omdat iedereen uiteindelijk ouder wordt en daarom als jongere en als oudere bijdraagt aan het stelsel. Die doorsneesystematiek wordt een probleem door de veranderende arbeidsmarkt. Verandering van sector, maar ook de wisseling tussen zzp-schap en loondienst. Probleem 3 is de vergrijzing. Individuele pensioenfondsen kunnen problemen krijgen met het waarmaken van de aanspraken van gepensioneerden als de groep ouderen ten opzichte van de werkenden in de sector uit balans raakt. Voor alle pensioenfondsen bij elkaar kan het oplosbaar zijn, maar voor individuele fondsen niet. Probleem 4 zijn de zware beroepen. Er komt een regeling voor mensen met zware beroepen om eerder met pensioen te kunnen gaan. Deze afspraak is niet relevant voor de stelselwijziging, maar wel om de vakbonden mee te krijgen. Probleem 5 heeft ook te maken met het draagvlak van de vakbonden. De vakbonden vinden dat de stijging van de pensioengerechtigde leeftijd te snel gaat. In het akkoord is een kleine tegemoetkoming voorzien op dit gebied. De verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd gaat meer geleidelijk en de koppeling met de levensverwachting is iets aangepast. Een jaar extra levensverwachting betekent 8 maanden later met pensioen. Het was 1 op 1. Met het pensioenakkoord wordt het zekere pensioen ingeruild voor de onzekere uitkomst van beleggingsresultaten van jouw persoonlijke pensioenpotje.

Martin ten Cate levert een nieuwe kijk op het pensioenstelselIk heb in de afgelopen jaren veel artikelen gepubliceerd op deze site over ons pensioenstelsel. Met analyses, argumenten en berekeningen heb ik laten zien dat niet indexeren volstrekt onterecht is. Ook voor economisch mindere tijden en de periode dat de vergrijzing op z’n hoogtepunt zou komen. Het boek van Martin ten Cate heeft een verdere verdieping van de problematiek opgeleverd en een uiterst interessante oplossing. Wouter Koolmees was aanwezig in 2019 bij de boekpresentatie, maar was niet erg enthousiast. Niet onbegrijpelijk, omdat hij toen nog volop bezig was om alle partijen achter het pensioenakkoord te krijgen. Met het plan van ten Cate kan het pensioenakkoord in de prullenmand. Dat is voor de minister geen aantrekkelijk perspectief. Maar de Nederlandse economie krijgt er wel een geweldige impuls van. Koolmees vindt het stelsel met twee financieringsmethoden een voordeel voor risicospreiding. De AOW als omslagstelsel en de bedrijfspensioenen als kapitaaldekkingssysteem. In een bericht over de boekpresentatie stond dat Wouter Koolmees het plan van Martin ten Cate zou laten. doorrekenen. Dat blijkt helaas niet juist te zijn. Koolmees heeft die vraag helaas niet neergelegd bij het CPB.

PensioenPlus 

Martin ten Cate laat in zijn boek Waar blijft ons pensioen zien dat ons pensioenstelsel en economie gebaat is bij een omslagstelsel en dat we afscheid moeten nemen van het kapitaaldekkingsstelsel. Al vele jaren zijn de opgebrachte pensioenpremies voldoende om de pensioenuitkeringen te betalen. De beroepsbevolking is solidair met de oudere medemens. Sparen is op zich goed, maar wij sparen met onze pensioenpot veel te veel. En helemaal als je ziet dat 86% van dat gespaarde geld naar het buitenland gaat. De rendementen die daar over terugkomen worden vervolgens weer voor 86% in het buitenland geïnvesteerd. Dat is doodzonde en economisch niet slim. In het huidige systeem zijn de uitvoeringskosten heel hoog, maar liefst 8,4 miljard per jaar. De hele organisatie van de AOW gaat voor 130 miljoen. Door de vergrijzing ziet ten Cate dat er in een periode van 10 jaar extra financiële druk op het stelsel afkomt. Om dat probleem te financieren is 150 miljard meer dan genoeg. GrafiekDat zou uit de pot van 1500 miljard gehaald kunnen worden. De rest zou aangewend kunnen worden voor investeringen in de samenleving. Denk aan onderwijs, innovatie, maar ook zorg en politie. Ten Cate sluit met een jaarlijkse pensioenpremie van 25% aan bij de huidige praktijk. Een werkgeversdeel van 2/3 en een werknemersdeel van 1/3. De pensioenuitkeringen worden weer welvaartsvast. In het boek en in het gesprek met Han de Jong (oud-hoofdeconoom van de ABNAMRO)  legt ten Cate uit dat een individu kan sparen voor de toekomst, maar een samenleving niet. Daarom levert dat een regelgeving op waarbij de pensioenpot alleen maar groter wordt en er nooit iets uitgehaald wordt. Als niet duidelijk wordt voor welk moment er gespaard wordt zal er aldoor doorgespaard worden. En dat is erg efficiënt. Tegenover een besparing moet een schuld staan. Is dat niet het geval, dan wordt er geld aan de economie onttrokken. Hetzelfde effect treedt op als het grootste deel naar het buitenland gaat. En zelfs de rendementen worden weer in het buitenland geïnvesteerd. Met al die besparingen doen wij onze economie zwaar tekort. 

Is de overgang naar een omslagstelsel haalbaar?

De omslag van een kapitaaldekkingssysteem naar een omslagsysteem is een politieke keuze. Alle pensioenfondsen zouden genationaliseerd kunnen worden. Dan gaat het geld in een collectieve pot. Het mooiste zou zijn dat niet de overheid de baas wordt van de pot, maar alle belanghebbenden met elkaar. Bijvoorbeeld in een coöperatie. Een deel van de pot wordt opzij gezet voor de extra kosten van de vergrijzing. De rest kan voorlopig belegd blijven. Het jaarlijkse rendement kan aangewend worden voor maatschappelijke investeringen. In plaats van een heleboel partijen die besturen en beleggen komt er een forse afslanking van de nogal hoge uitvoeringskosten van het huidige systeem. Minstens 6 miljard moet eraf kunnen. Door het omslagstelsel zullen premies meebewegen met de economische ontwikkeling en daarmee kan de pensioenuitkering welvaartsvast worden.   

Bedenkingen

Na de boekpresentatie van Martin ten Cate in 2019 werd de directeur van het pensioenfonds Zorg & Welzijn, Peter Borgdorff, gevraagd naar zijn reactie. Hij wil er niet aan. Dit ondanks de dreigende pensioenkortingen bij zijn fonds. ‘Met onze huidige pot geld kunnen we bijdragen aan een meer leefbare wereld. Die missie is voor onze deelnemers erg belangrijk. In een omslagstelsel kunnen we die rol niet meer vervullen, aldus Borgdorff.’ De  vraag is of het bijdragen aan een leefbare wereld niet veel beter op een andere manier geleverd kan worden? Econoom Bas Jacobs was veel positiever over het verhaal van Martin ten Cate. ‘In een omslagsysteem wordt een inkomensafhankelijke premie gestort bij de overheid, die dat geld vervolgens gebruikt om pensioenen te betalen en zo een impliciete schuld opbouwt bij de deelnemer. De kosten van een dergelijk systeem zullen veel lager zijn,’ aldus Bas Jacobs. Wie durft?Welke politieke partij durft het aan om de overstap te maken naar een omslagstelsel en daarmee jongeren zekerheid geven voor de toekomst, de pensioenuitkering van ouderen eindelijk weer te indexeren, een forse investering te doen in de competitiekracht van Nederland voor de toekomst en de tegenstand van actoren uit de financiële markten te trotseren? Dan hebben we op 17 maart 2021 bij de verkiezingen van de Tweede Kamer iets te kiezen.

Michiel Verbeek, 12 juli 2020

 

© 2019 Michelverbeek.nl - webdesign door Landstra & de Groot webdesign