Is bombarderen en opnieuw beginnen echt de enige mogelijkheid voor de middelbare school?

Het nieuwe boek ‘Het bezwaar van de leraar’ van Ton van Haperen leest als een indringend pamflet zonder oproep tot constructieve actie. Een gloedvol betoog voor wijze docenten voor de klas van een docent die gepassioneerd het ambacht wil beschermen tegen nieuwlichterij en bobo’s. Hij schets alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren in het middelbaar onderwijs en wordt daar heel treurig van. Hij ziet eigenlijk nog maar een uitweg: Bombarderen en opnieuw beginnen!  

Hij wil een praktijkrevolutie in het voortgezet onderwijs. ‘Alle koningen, edelen, jonkvrouwen, luchtfietsers, organisatiegoeroes, managementdromers eruit. En de praktijkmensen aan het roer. Een school is een school. Geen maatschappelijke onderneming. De beste leraar is de baas. Als eerste onder de gelijken’.
Menig onderwijsbestuurder of collega docent zal hem wegzetten als een oude brombeer met stokpaardjes, een hang naar het verleden en weinig gevoel voor noodzakelijke onderwijsvernieuwing. Dat gevoel borrelt zo en dan ook bij mij op bij het lezen van het boek, maar er staat ook iets anders tegenover. Het is een vakman. Hij pleit hartstochtelijk voor hoog opgeleide docenten, omdat voor hem de kern van het onderwijs de relatie docent-leerling is als meester-gezel. Wil je iets heel goed leren dan heb je een hele goede docent nodig. Van welke docent heb jij het meeste geleerd? Denk even na. Waarom was dat zo’n goede docent? Omdat hij of zij veel van het vak wist? Heel goed kon uitleggen? Je heeft geïnspireerd voor de keuze van je latere beroep? Iemand die boven de stof stond. Iemand die moeiteloos verbindingen kon maken tussen de vakkennis en de wereld van jou als leerling toen?

 

Kenniswerker of jeugdwerker?



Er wordt rond verkiezingen vanuit de politiek vaak geroepen dat het onderwijs teruggegeven moet worden aan de docent en de leerling. Maar na een paar weken verkiezingsstrijd is het weer voorbij en is er niets veranderd. Ton van Haperen is warm pleitbezorger van academisch geschoolde docenten. Dat biedt zekerheid dat de stof die overgebracht moet worden zelf begrepen wordt en dat ermee gespeeld kan worden. En dat heb je nodig om de verbinding te maken met de leefwereld van de leerlingen. Welk type leraar willen we eigenlijk voor Nederlandse klassen: de kenniswerker of de jeugdwerker? Voor Van Haperen is dat duidelijk: de kenniswerker. Hij is allesbehalve aardig voor een hoop van zijn collega’s. Het nieuwe type leraar (de kenniskabouter), die alleen instructie geeft, maar zelf niet zoveel weet, daar luistert geen enkele puber naar’.
Van Haperen is niet de oude brombeer die alleen maar klassikaal wil zenden. Hij beschrijft niet voor niks het inzicht van de taxonomie van Bloom.



 

 

Een goede docent weet dat alleen zenden van de docent tot tijdelijk onthouden leidt, maar dat de lesstof dan niet beklijft. Het betreft de laagste sporten van de trap van leren. Andere vormen moeten ingezet worden om de nieuwe kennis te ‘haken’ aan wat leerlingen al kunnen, weten en waarnemen. Dan ontstaat kennis die beklijft. Soms moet je als leraar uit een heel ander vaatje tappen om een leerling en daarmee de hele groep iets bij te brengen. Bijvoorbeeld als in deze prachtige scene uit Dead Poets Society: https://www.youtube.com/watch?v=gQU3EphIpMY



Een drama in drie bedrijven



Van Haperen komt in het boek met heel veel voorbeelden waar het fout gaat in het middelbaar onderwijs. Dat mondt uit in het onderwijsbeleidsdrama in drie bedrijven. Bedrijf 1: Afschaffing maximale klassengrootte in 1983. Tot dan werd een klas van boven de 30 gesplitst en kreeg de school voor 2 klassen vergoeding. Vanaf 1983 kosten voor de school. Bedrijf 2: Jaren negentig introductie van de lumpsum. De leraar werd een kostenpost. Bedrijf 3: De wet zij-instroom uit 2000 legaliseert het onbevoegd lesgeven. Verderop noemt van Haperen het probleem in de hedendaagse schoolorganisatie als ‘de dictatuur van slecht’.  


Vlieguren maken



Als je een goede leraar wilt zijn moet je vlieguren maken. De overgang van normaal naar excellent functioneren vergt zo’n 10.000 uur oefening. Een talentvolle concertpianist wordt pas excellent als er uren getraind is! Het komt niet aanwaaien. Docenten die na twee jaar al afhaken, omdat ze de werkdruk te hoog vinden of het salaris te laag, die hebben er dan nog maar hoogstens 2400 vlieguren op zitten (2 jaar x 40 weken x 30 uur).


Leren voor de toets en het examen en segregatie



Van Haperen vind in het onderwijs een groeiend aantal medestanders die vindt dat we veel te ver zijn doorgeschoten met het adagium ‘meten is weten’. Het is verworden tot leren voor de toets in plaats van wat er achter zit. Als leerlingen teveel geconfronteerd worden met zwakke leraren, dan zal dat segregatie in de hand werken. Kinderen uit zwakke gezinnen en gezinnen met een krappe beurs zullen de dupe worden. De kinderen van rijkere ouders kunnen extra lessen buiten de school om organiseren in huiswerkklassen. Daar is sprake van een forse groei.


Na het bombardement



Na het bombardement wil Ton van Haperen scholen met een curriculum dat bestaat uit een aantal helder omschreven vakken en vrije ruimte voor scholen. De overheid stelt het curriculum vast met een uitvoeringsveto voor leraren. De sporen waarlangs wij communiceren zijn volgens van Haperen: taal, getallen en verleden. Daarom zijn rekenen, wiskunde, geschiedenis, Nederlands en Engels cruciaal. Daarnaast noemt hij andere vreemde talen, natuurkunde, biologie, economie en kunst voor de eerste jaren. In de vrije ruimte valt te kiezen voor extra vakken, maar ook voor vakoverstijgende projecten, persoonsvorming en burgerschap. Zonder het te noemen, zie ik iets terug van pedagoog Gert Biesta en zijn driedeling voor onderwijs: kennis en vaardigheden, socialisatie (over de relatie met anderen en de samenleving) en persoonswording. In de nieuwe biotoop van Van Haperen wordt de school gerund door leraren en declareren scholen rechtstreeks bij de centrale overheid voor de gebouwen, het onderhoud en personeel. Het kiezen op 12-jarige leeftijd voor een vervolgopleiding na de basisschool is ongekend vroeg. Nederland vormt hierin internationaal een uitzondering. Van Haperen vindt dat niet z’on probleem, mits er altijd doorstroom en overstap mogelijkheden zijn. De keuze kan een vergissing zijn. Dat is niet erg. Zonder problemen moet die vergissing gecorrigeerd kunnen worden. Op de school na het bombardement hebben leraren niet meer dan 25 lessen per week en maximaal 25 leerlingen per les.


Waar Van Haperen aan voorbij gaat



Wat ik mis in het boek van Ton van Haperen is een visie op digitalisering van de samenleving en de maatschappelijke gevolgen daarvan. Van de eerder genoemde Gert Biesta heb ik geleerd dat jonge mensen geschoold moeten worden in het ‘in volwassen zijn’. Dat vergt meer dan alleen vakkennis overbrengen. Daarom komt Biesta met socialisatie en persoonswording (hij noemt het zelf subjectivering) naast de kwalificatie met kennis en vaardigheden. Op het gebied van artificiële intelligentie gebeurt er momenteel heel veel. Dat gaat consequenties hebben op veel terreinen. Daar zal aandacht voor moeten komen in het onderwijs. Vooral ook omdat het jonge brein volgens Eveline Crone (zie mijn verhaal over het VO congres) uiterst geschikt is voor creatieve oplossingen voor de toekomst.
Iets leren gebeurt voor veel jonge mensen buiten school. In school moet er iets bepaalds geleerd worden. En dat leren moet beklijven. Dat betekent vormen die aansluiten bij de hoogste treden van Bloom. Wil je nieuwe kennis en vaardigheden haken aan wat leerlingen weten of hebben meegemaakt, dan zal een vakoverschrijdende aanpak meer regel dan uitzondering moeten worden. Van Haperen denkt nog erg in de lessen van 50 minuten of blokuren van twee lessen van 50 minuten, maar moeten we niet naar hele andere tijdsschema’s? Ik ben in het verleden economie docent geweest en heb uitgebreid studie gemaakt van de financiële crisis in 2008. Ik heb daar een paar keer zo’n 100 minuten gastles over gegeven, maar wat zou ik dat graag doen in bijvoorbeeld twee of drie dagdelen met allerlei verschillende werkvormen. Dan weet ik zeker dat het beklijft en dat ik menig hoofdstuk uit het leerboek heb behandeld. De combinatie van goed luisteren, samen een dialoog voeren, film kijken en produceren bieden de garantie van beklijven. Lessen kunnen voor iedereen leuk worden. Bij Joe Ruhl heb ik gezien dat je in de klas verschillende vormen kunt aanbieden die sterk aansluiten bij wensen en competenties van leerlingen. Ja, een vorm van gepersonaliseerd onderwijs. Ruhl heeft het over de 6 C’s: choice, collaboratie, communication, critical thinking, creativity en caring. Afstappen van klassen met 30 leeftijdsgenoten gedurende 1 of 2 uren zou veel nieuwe mogelijkheden bieden. Met meerdere docenten een dagdeel of een dag vanuit verschillende vakgebieden een vakoverstijgend thema aanpakken. En waarom worden er alleen klassen gevormd met leeftijdsgenoten. Misschien organisatorisch handig, maar niet altijd zinvol voor leerlingen.
Het bombardement van Ton van Haperen is niet nodig. Geef scholen meer ruimte om nieuwe vormen uit te proberen en deel de resultaten. Organiseer meer leertijd buiten de school. Geef scholen de mogelijkheid om eerste graad bevoegde leraren aan te nemen zonder dan hun budget zwaarder belast wordt. Voorkom de keuze op schoolniveau tussen meer materiële faciliteiten en opleidingsniveau van docenten. Op basis van het aantal leerlingen krijg de school een vergoeding voor docenten. Voor een eerstegraads bevoegde docent zal de vergoeding hoger zijn dan voor een tweedegraads bevoegde docent. Voer vanuit de overheid de celstructuur van Eckhardt Wintzen in voor de omvang van scholen. Wordt de school groter dan 800 leerlingen dan komt er een nieuwe cel. En geef de leraren als de professionals in bepaalde vakken en in het leren en ontwikkelen van jonge mensen de ruimte om gezamenlijk het ‘hoe’ in het onderwijs vorm te geven.

Michiel Verbeek, 1 mei 2019 

© 2019 Michelverbeek.nl - webdesign door Landstra & de Groot webdesign