PISA verdient aandacht, maar geen ondoordachte acties

De leesvaardigheid van Nederlandse 15-jarigen vraagt om actie. Maar wie PISA serieus neemt, kijkt verder dan de ranglijst: naar motivatie, de dagelijkse leescultuur en de ruimte die jongeren krijgen om zich te ontwikkelen.

Stel je voor: je bent 15 en gaat een toets maken. Je krijgt er geen rapportcijfer voor. De uitslag heeft geen gevolgen voor je overgang of diploma. Toch worden de resultaten later gebruikt om uitspraken te doen over de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Dat is de bijzondere positie van PISA. Voor de deelnemende leerling staat er persoonlijk niks op het spel, terwijl politiek en media grote betekenis aan de uitkomsten geven. Dat wil zeggen aan vooral één uitkomst: het aandeel Nederlandse 15-jarigen dat het PISA basisniveau voor leesvaardigheid niet haalt, is gestegen van ongeveer 33% in 2022 naar 39% in 2025. Voor wiskunde en natuurwetenschappen zijn de resultaten gelijk gebleven ten opzichte van 2022, na eerdere achteruitgang. In het nieuwe onderdeel Digitale Geletterdheid gaat het om het vermogen van leerlingen om met behulp van computergestuurde hulpmiddelen kennis op te bouwen en problemen op te lossen. De Nederlandse leerlingen haalden hier een score van 506, net iets boven de 501 van de EU-14. Dat is vaardigheidsniveau 3 en ligt ruim boven basisvaardigheid. 

Wat betekent die 39%? Niet dat bijna vier op de tien jongeren helemaal niet kunnen lezen. Tegen dat beeld wordt gewaarschuwd in het rapport en door Andreas Schleicher, directeur van PISA. Het betekent wel de Nederlandse 15-jarigen in deze toets onder het niveau blijven dat PISA als noodzakelijke basis beschouwt. Dat gaat om het begrijpen en gebruiken van teksten en kan gevolgen hebben voor leren en maatschappelijk functioneren. Ook bij geschiedenis, biologie, economie en wiskunde moeten leerlingen begrijpen wat zij lezen. 

Het blijft verwarrend dat meer dan 95% van de leerlingen de basisschool verlaten met een voldoende basisniveau voor lezen. En dat na 3 jaar voortgezet onderwijs (VO) het beeld zo anders is. Tuurlijk, het gaat om meetverschillen, maar het lijkt erop dat in de onderbouw van het VO er onvoldoende geoefend en uitgebouwd wordt wat is aangeleerd op de basisschool. De zorgen over leesvaardigheid komen trouwens niet uitsluitend uit PISA. Bij de nationale peiling aan het einde van leerjaar 2 in 2022–2023 behaalde:

  • 36% van de vmbo-b/k-leerlingen minstens 1F;
  • 87% van de vmbo-g/t-leerlingen minstens 1F;
  • 99% van de havo/vwo-leerlingen minstens 1F. 


De grootste problemen ten aanzien van leesvaardigheid zitten bij leerlingen op het vmbo en praktijkonderwijs. 

Het PISA onderzoek vindt om de drie jaar plaats. Er hebben aan PISA 2025 91 landen meegedaan met 760.000 15-jarigen. In Nederland deden 177 scholen mee met 6.636 leerlingen. Uit PISA 2025 blijkt dat de gemiddelden op natuurwetenschappen, leesvaardigheid en rekenen/wiskunde allemaal dalende zijn. Wereldwijd zijn blijkbaar vergelijkbare ontwikkelingen gaande. Misschien wel ontwikkelingen buiten het onderwijs.


Verklaringen

Het zou nuttig zijn als er meerjarig onderzoek wordt opgezet waarbij leerlingen op het gebied van leesvaardigheid en rekenen van groep 8 basisschool tot 15 jaar in klas 3 van het VO gevolgd worden. Voorlopig moeten we het, bij gebrek aan diepgaand onderzoek, doen met een aantal veel genoemde verklaringen:


  1. Leerlingen hebben niet de bereidheid om zich langdurig in teksten te verdiepen.
  2. Er is veel digitale afleiding. Scrollen op sociale media en You Tube filmpjes kijken vinden leerlingen leuker dan lange teksten of een boek lezen. Een boek duurt te lang en wordt door veel leerlingen saai gevonden.
  3. Een groep kinderen met een migratieachtergrond waarbij thuis een andere taal dan Nederlands wordt gesproken. 
  4. Veel jongeren hebben weinig motivatie voor lessen, maar de Nederlandse 15-jarigen scoren extreem laag op motivatie.
  5. Veel leesplezier is op de basisschool al verpest door de mechanistische aanpak van  begrijpend lezen en te weinig leraren die zelf lezen. Leraren die zelf niet lezen kunnen daardoor leerlingen niet inspireren met passende boekentips.  


Wat moet er gebeuren en wat niet?

Leerlingen hebben recht op goed leesonderwijs. Scholen en overheid moeten kunnen volgen of verbeteringen effect hebben. Veel scholen zijn al bezig met het verbeteren van het leesonderwijs, een ander deel moet een been bijzetten. Met de nieuwe Kerndoelen moeten scholen de tijd en ruimte krijgen om zichzelf te verbeteren. Zij gaan ongetwijfeld aan de slag met de vraag: hoe kunnen jongeren teksten beter begrijpen, beoordelen en gebruiken? Ontwikkelen zij kennis, leesvertrouwen en het uithoudingsvermogen om zich ergens in te verdiepen? De antwoorden moeten zichtbaar worden in de dagelijkse ervaring van leerlingen: goede begeleiding, rijke teksten, tijd om te lezen en ruimte om te groeien. Laten we de uitkomsten gebruiken om betere vragen te stellen. Welke leerlingen hebben welke ondersteuning nodig? Hoe maken we lezen aantrekkelijk en haalbaar? Hoe versterken we kennis en aandacht? En waar begrenst de organisatie van ons onderwijs de ontwikkeling van jongeren?

Het is te hopen dat er meer leraren van de Pabo komen, die zelf kinderliteratuur en young adult boeken lezen. Zodat ze uit eigen ervaring kunnen vertellen over boeken en iedere individuele leerling kunnen helpen om een boek te vinden bij hun passies en interesses. Laat politici zich onthouden van overdreven reacties. Niet meer spreken van een ‘leescrisis’ en om wille van media aandacht grote woorden gebruiken dat de uitkomsten van PISA beschamend zijn. Het PISA onderzoek is geen oordeel over de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Gebruik het onderzoek om breder te kijken naar het hele onderwijsstelsel en analyseer buitenschoolse effecten op de PISA uitkomsten. De aankondiging van staatssecretaris Tielen op PISA 2025 is volkomen fout. Zij wil de PISA scores tot beleidsdoel verheffen. Heel slecht plan legde onderwijskundige en schrijver Barend Last uit op LinkedIn. “Een voorbeeld van Goodhart’s Law: Wanneer een maatstaf een doel wordt, houdt ze op een goede maatstaf te zijn.”  Je moet er niet aan denken dat er straks bewust lesgegeven wordt om betere PISA scores te halen. We hebben al veel teveel ‘learning en teaching for the test’. 


Dagelijks lezen

Staatssecretaris Tielen wil graag dat leerlingen meer lezen op school. Ze zou er goed aan doen te kijken wat er op Agora scholen gebeurd. Daar is lezen niet iets leuks erbij of 10 minuten bij de les Nederlands, maar is het een vast onderdeel van de dagstructuur. Op Agora’s is een dagelijks stiltemoment. Leerlingen, docenten, ondersteunend personeel, iedereen in het gebouw is dan stil en gaat veelal lezen. Het wordt een gewoonte. Doe je iets veel, dan word je er over het algemeen beter in. Reken even mee: iedere dag op school een half uur lezen. 5 dagen in de week x 0,5 uur = 2,5 uur per week. Een schooljaar is ongeveer 40 weken: 40 x 2,5 uur = 100 uur lezen op jaarbasis. Een gemiddelde tiener leest zo’n 30 pagina’s per uur: 100 uur x 30 = 3.000 pagina’s. Als we uitgaan van een gemiddeld boek met 200 pagina’s, dan betekent dat 3.000 : 200 = 15 boeken per jaar. 

Als er goede begeleiding bij komt met een rijk boekenaanbod, gesprekken over teksten, leraren die enthousiasme overbrengen en gerichte instructie voor leerlingen die moeite hebben met lezen neemt de leesvaardigheid onherroepelijk toe. Alleen tijd vrijmaken is niet genoeg. Maar zonder tijd blijft de oproep om meer te lezen gemakkelijk een wens.


Een schoolsoort vertelt niet het hele verhaal

De grafieken hieronder vind ik de meest interessantste grafieken uit de PISA rapporten. De spreiding van prestaties binnen schoolsoorten. Leerlingen met hetzelfde schoollabel verschillen onderling. En prestaties van leerlingen uit verschillende schoolsoorten kunnen elkaar overlappen. Die overlap stelt wel een wezenlijke vraag: sluiten we leerlingen niet teveel op in het schooladvies op 11- of 12-jarige leeftijd? Geven deze grafieken niet aan dat we veel te weinig ruimte geven aan leerlingen om zich te ontwikkelen na de basisschool? De top van vmbo TL kan meekomen met het onderste derde deel van de vwo’s. De top van vmbo kader weet een groot deel van de havisten bij te blijven en ook de onderste 20% van de vwo’ers. Ook bij rekenen/wiskunde zie je dezelfde spreiding. Een leerling kan sterk zijn in lezen en meer ondersteuning nodig hebben bij wiskunde. Of later een ontwikkeling doormaken die niemand op de basisschool kon voorzien. Onderwijs moet daarop kunnen reageren, met uitdaging, ondersteuning en mogelijkheden om van leerroute te veranderen. Een schooladvies hoort richting te geven aan een volgende stap. Het mag geen grens worden aan wat we van een jongere verwachten.

De meest in het oog springende uitkomst in deze grafieken is de van het VSO (Voortgezet Speciaal Onderwijs). Je denkt bijna dat het een fout is, maar dat is het niet. 




De EU-14

In het PISA rapport worden de 14 landen die vanaf de start hebben meegedaan aan PISA apart genoemd. Het waren allemaal landen uit de Europese Gemeenschap. Vandaar EU-14. Inmiddels is het Verenigd Koninkrijk geen onderdeel meer van de EU, maar is wel onderdeel gebleven van de EU-14. Dit zijn de resultaten van de EU-14:


Michiel Verbeek, 8 oktober 2026




Terug naar top