Het pensioenakkoord is een zwaar bevochten compromis, maar had beter en simpeler gekund

Na 10 jaar praten, onderzoeken en onderhandelen heeft minister Wouter Koolmees een akkoord weten te sluiten met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers over het pensioenstelsel. Het stelsel gaat veranderen van een onvoorwaardelijk recht naar een voorwaardelijke ambitie. En daarmee neemt de onzekerheid toe. En kan het ook beter? Ik denk van wel!

De vertegenwoordigers van de vakbonden hebben ingestemd met het akkoord, maar dat kan nog worden teruggetrokken als de leden van de FNV niet akkoord gaan. Zij kunnen zich uitspreken via een referendum. Mijn inschatting is dat ze akkoord gaan, omdat met het akkoord de pensioenleeftijd voorlopig op 66 blijft en minder snel gaat stijgen. Maar veel belangrijker voor de vakbonden zal zijn dat er perspectief gegeven wordt voor de zware beroepen. Nu kunnen bonden daar ook al afspraken over maken, maar dat levert de werkgever een boete op. Er daarom lukt dat niet. Die boete gaat eraf en er komt ook een regeling voor de AOW op 65 in plaats van pas op 66 jaar. De vakbonden worden de komende jaren belangrijk om voor de mensen met zware beroepen om de vervroegde uittreding netjes te regelen. Het akkoord levert de vakbonden een versterkte positie op in bedrijven. Werknemers zullen meer afhankelijk worden van de bonden voor de strijd voor vervroegde pensionering voor zware beroepen. Voor de vakbonden betekent dat een mogelijkheid voor ledenwinst.


Hoe is de situatie nu?


De pensioenwet kent een onvoorwaardelijk recht op pensioen. In het huidige systeem betalen werkenden in een bepaalde sector eenzelfde pensioenpremie. Die varieert tussen 16% en 21%. In de pensioenovereenkomst per sector of bedrijf staat precies welk recht je jaarlijks opbouwt. Tot ca 75% van je gemiddelde loon (het middelloon). Stel je werkt in een sector met 20% pensioenpremie (in veel gevallen zo’n 40% door de werknemer en 60% door de werkgever) en een jaarlijks opbouwpercentage van 1,8% (75% : 42 werkjaren). En stel dat je gemiddeld 40.000 euro per jaar verdient. Jaarlijks betaal jij en je werkgever 20% x (40.000 - 14.590 franchise) = 5.082 aan de pensioenpot. De franchise heeft te maken met het AOW deel van je uiteindelijke pensioen). Je krijgt een gegarandeerd pensioen na 42 jaar gebaseerd op je oude loon minus de franchise. De rekensom wordt dan: 75% x (40.000 - 14.590)  = 19.057,50 euro, afgerond 1.588 per maand. Daar komt zo’n 1.216 euro aan AOW bij. Samen 2.804 euro per maand. Je gemiddelde bruto maandsalaris was: 40.000 : 12 = afgerond 3.333 euro. Pensioen is uitgesteld loon. Dat betekent dat er nog wat belasting afgaat. Iedere deelnemer in een pensioenfonds betaalt hetzelfde percentage aan premie en krijgt als uitkering: jaren in het fonds x het opbouwpercentage x middelloon. Dit noemen we de doorsneesystematiek.
 

Pensioenfondsen


Er zijn in Nederland zo’n 206 pensioenfondsen. Alle informatie over pensioenfondsen is te vinden op de website van de DNB (De Nederlandsche Bank), de toezichthouder van het pensioenstelsel. Het aantal pensioengerechtigden was op 20-9-2018: 3.303.746, afgerond 3,3 miljoen. Het aantal premie betalende deelnemers aan pensioenfondsen was: 5,6 miljoen. Voor iedere pensioengerechtigde zijn er 1,7 pensioenpremiebetalers. De pensioenfondsen kennen een hele zware regulering. Ze moeten tegenover de pensioenverplichtingen voldoende vermogen hebben. Dat vermogen wordt gevormd door premie-inleg en rendementen op beleggingen. Pensioenfondsen moeten een dekkingsgraad hebben van 104,5%. Vanaf een dekkingsgraad boven de 110% mag het fonds indexeren, of te wel de pensioenuitkering aanpassen aan de stijgende prijzen. Tussen 100% en 110% mag er gedeeltelijk geïndexeerd worden. Er zijn momenteel 33 fondsen (met 400.000 pensioenen) die mogen indexeren, 88 fondsen (met 4,8 miljoen pensioenen) mogen gedeeltelijk indexeren en 85 fondsen (met 11,7 miljoen pensioenen) mogen niet indexeren. Er zijn zeker 3 fondsen die grote kans maken dat ze in 2020 of in 2021 pensioenen moeten korten om aan de dekkingsregels te kunnen voldoen. De twee grootste pensioenfondsen zijn ABP en Zorg en Welzijn. Die mogen momenteel niet indexeren. Samen zijn ze goed voor 5,6 miljoen pensioenen. Het ABP heeft afgelopen 20 jaar jaarlijks gemiddeld 7% rendement gemaakt, maar voor de berekening van de dekking van de pensioenverplichtingen mag het ABP niet rekenen met werkelijk behaalde rendementen, maar moet er gerekend worden met een rekenrente gebaseerd op de actuele marktrente. Die is nu 1,1%. Uit informatie van de ABP blijkt dat iedere 1%-punt hogere rekenrente betekent een verbetering van de dekkingsgraad van 12%-punt. Met andere woorden, het ABP heeft meer dan genoeg geld om de pensioenuitkering van de huidige gepensioneerden te indexeren, maar het mag niet vanwege (veel te) rigide regels. Dat is voor veel gepensioneerden onverteerbaar!


Hoeveel zit er in de pensioenpot?


Over het totaal aan premiegelden en beleggingsrendementen in de pensioenpotten doen verschillende bedragen de ronde. In de media heeft lange tijd 1400 miljard gecirculeerd, de laatste tijd hoor je ook 1500 miljard. Ook bewindslieden noemen deze bedragen. Op basis van de cijfers van DNB van 20 september 2018 kom ik uit op 1.315 miljard. In 2017 is er 31 miljard euro aan premies in de pot gestopt. De pensioenuitgaven lagen op ca. 44,2 miljard. Het verschil kan eenvoudig worden opgevangen uit beleggingsrendementen. De pensioenpotten gezamenlijk blijven dus groeien.  


Nederland heeft het beste pensioenstelsel in de wereld


Op de website van het adviesbureau Mercer (specialist in pensioenen) kun je dit bericht lezen: ‘Het Nederlandse pensioenstelsel stoot Denemarken van de troon en staat sinds 7 jaar weer op nummer 1. Dat blijkt uit de Global Pension Index die elk jaar door adviesbureau Mercer wordt uitgebracht. Met de nummer 1 notering heeft Nederland de internationale A-status weer terug. Denemarken staat op de tweede plaats; Finland staat met een derde positie voor het eerst in de top drie. In de Global Pension Index worden de pensioenstelsels van meer dan dertig landen wereldwijd getoetst op toereikendheid, toekomstbestendigheid en integriteit. Nederland passeert Denemarken met 0.1 punt verschil. Beide landen mogen hun pensioenstelsels dit jaar de A-status geven. Ter vergelijking, vorig jaar bereikte geen enkel land de 80-puntengrens voor het verkrijgen daarvan. ‘Het is natuurlijk fantastisch dat het Nederlandse pensioenstelsel na zeven jaar weer op nummer 1 staat in de index. Het stelsel ligt onder de loep en is nog lang niet perfect, maar het rapport geeft ons een externe blik over hoe wij onze zegeningen kunnen tellen,’ aldus Marc Heemskerk, pensioenexpert bij Mercer Nederland’.


En toch wil politiek Den Haag het stelsel ingrijpend aanpassen


De werkgevers, de vakbonden, het kabinet en een grote meerderheid in de Tweede Kamer willen ondanks plek 1 op de Global Pension Index het stelsel ingrijpend veranderen. Op basis van het pensioenakkoord van 4 juni 2019. Wat zijn de redenen? 1. De veranderende arbeidsmarkt en de veranderende samenleving, waarin meer individuele keuzemogelijkheden en maatwerk wenselijk zijn. 2. Jongeren vrezen dat straks de pot leeg is als zij aan de beurt zijn voor een pensioenuitkering. 3. Het inkomen van heel veel pensioengerechtigden is niet waardevast, laat staan welvaartsvast. Al jaren geen compensatie meer voor stijgende prijzen. 4. Door de financiële crisis van 2008 is de vrees gegroeid dat de beleggingsrendementen kunnen zorgen voor grote schommelingen. 5. Een groep van ca. 13% bouwt helemaal geen pensioen op.
In 2010 heeft de commissie Goudzwaard een rapport gepubliceerd over gewenste en mogelijke aanpassingen van het stelsel. Latere rapporten van de SER (Sociaal Enonomische Raad) zaten allemaal op dezelfde lijn. Er moet een andere balans gevonden worden tussen de pensioenambitie, de zekerheid en de pensioenaanspraken. In het pensioenakkoord is die nieuwe balans gevonden in het loslaten van de gegarandeerde uitkering en door meer direct verband aan te brengen tussen de eigen ingelegde premies en de beleggingsrendementen van de eigen pensioenpot. Zijn de beleggingsrendementen hoog, dan krijg je meer pensioen. Vallen de rendementen tegen dan krijg je minder. De commissie Goudzwaard wilde ook deze kant op, omdat zij zagen aankomen dat er meer geld in de potten nodig zou zijn en omdat in de hoogte van de premies geen rek meer zit. Die hebben hun plafond bereikt. Voeg daar aan toe dat de commissie vlak na de financiële crisis van 2008 publiceerde. De angst voor lagere beleggingsrendementen en een plafond van premies kan alleen gecombineerd worden met minder garanties voor de pensioenuitkering. Voorstanders van het akkoord koppelen daar nog een ander voordeel aan vast. Als er geen garanties meer zijn voor de omvang van de uitkering, dan kunnen de vereisten van dekking ook naar benden worden bijgesteld. Daardoor kunnen huidige pensioenontvangers beter bediend worden. Indexeringen komen daarmee weer dichterbij.
Het argument dat jongeren bang zijn dat straks de pot leeg is, is volsterkte onzin. Kijk naar de cijfers van het huidige bedrag in de pot, de premie-inkomsten, de beleggingsrendementen en de pensioenuitkeringen. Het wordt makkelijk geroepen, maar nergens met cijfers onderbouwd. De rendementen zijn momenteel weer heel gunstig, maar de strenge regels beletten om de pensioenuitkeringen te verhogen, dus gaan de rendementen de pot in! 



Belangen verschillende partijen


Het pensioenakkoord gaat over de AOW en de bedrijfspensioenen. Het Rijk heeft een groot probleem met de AOW. De uitkeringen worden gefinancierd door een omslagstelsel. De werkenden van nu betalen AOW-premies die gebruikt worden voor de AOW uitkeringen van nu. Verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is voor de AOW kosten gunstig. De werkgevers willen de pensioenpremies niet te hoog hebben. Dat zijn voor hun kosten. Hoe lager, hoe beter. De vakbonden willen het liefste terug naar 65 jaar en een regeling van vervroegde uittreding voor zware beroepen. In het akkoord krijgt iedereen wat en een deel niet. De minister wilde nog wel verder gaan met het persoonlijk maken van de pensioenpotten en wilde de AOW leeftijd wel op 67 houden en daarna laten oplopen met de levensverwachting. De stap naar meer persoonlijk maken van het pensioen is gezet door het schrappen van de gegarandeerde pensioenuitkering en de mogelijkheid om na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd 10% van je opgebouwde pensioenpot in een keer op te nemen. De oploop van de pensioenleeftijd is getemporiseerd. Voorlopig 66 in plaats van 67 jaar en niet 1 op 1 oplopend met de levensverwachting, maar trager. Als de levensverwachting met 1 jaar toeneemt, gaat de pensioenleeftijd met 8 maanden omhoog. Zzp’ers houden de vrije keuze wel of niet pensioensparen. De pensioenfondsen worden wel gevraagd hun fonds open te stellen voor zzp’ers. Dus geen verplichting om voor het pensioen te sparen. Wel zit in het akkoord een verplichting voor zelfstandigen om zich tegen arbeidsongeschiktheidsverzekering te verzekeren. De kans is groot dat die met deze verplichting zo’n verzekering betaalbaar wordt voor zelfstandigen. De werkgevers zijn blij, omdat de premies in toom gehouden worden en het kabinet de mogelijkheid biedt om de vervroegde uittreding voor de zware beroepen mogelijk te maken. Daar zijn de vakbonden ook heel blij mee. De vakbonden kunnen met de werkgevers gaan onderhandelen over 1, 2 of 3 jaar eerder stoppen voor de zware beroepen. Het kabinet helpt daarbij door het mogelijk te maken om al AOW te ontvangen op 65 jaar. Met dien verstande dat de uitkering dan met 6,5% wordt gekort. Iedere partij kan aan de achterban iets moois vertellen. Er een uitgekiende balans in het akkoord!


Zitten er nadelen aan dit pensioenakkoord?


De huidige pensioenovereenkomst met onvoorwaardelijke pensioenrechten gaat over in voorwaardelijke rechten op basis van beleggingsrendementen. Dat is niet voor iedereen fijn. Zijn de rendementen gunstig heb je geluk, zijn de rendementen laag, dan heb je pech. Ben je 40, dan kun je er nog iets aan doen. Ben je 60 dan lukt je dat niet meer. Dit is een consequentie van het pensioenakkoord. Ik begrijp niet goed hoe de minister dit wil laten sporen met zijn expliciete voornemen om te voorkomen dat we geluk- en pech groepen krijgen. De omzetting van pensioenovereenkomsten vergt ‘transitievergoedingen’ of te wel ‘smeergeld’ om verslechteringen te compenseren. Daar helpt het Rijk bij. Aanvankelijk had minister Koolmees 2 miljard op tafel gelegd voor het temporiseren van de AOW (levensverwachting met 1 jaar omhoog, dan pensioenleeftijd omhoog met 10 maanden), maar werknemers wilden naar 6 maanden verhoging van de pensioenleeftijd als de levensverwachting met 1 jaar zou stijgen. Koolmees ging maandagavond samen Mark Rutte naar de minister van Financiën, Wopke Hoekstra. Binnen de kortste keren hadden ze 2 miljard extra gevonden. Samen 4 miljard. Daarmee kon de verhoging van de pensioenleeftijd naar 8 maanden voor ieder jaar stijging van de levensverwachting. De omzetting van de huidige pensioencontracten zal niet eenvoudig zijn. Lange trajecten dragen altijd het gevaar in zich om duurder te worden. Kan een deel van de 4 miljard ook daar voor worden ingezet?
Mijn grootste zorg zit in het loslaten van de pensioengaranties. De persoonlijke pensioenpotjes lijken wel leuk, maar zitten jonge mensen te wachten op 40 jaar angstvallig het verloop van hun pensioenopbouw bij te houden? Moeten ze straks een aantal keren in hun leven kiezen voor een bepaald risicoprofiel? En als sommige deelnemers zelf het stuur in handen willen nemen, worden die dan niet gefrustreerd als blijkt dat ze eigenlijk niet zoveel invloed hebben op het beleggingsbeleid?
Zal de achterban van de PvdA blij blijven met dit akkoord. Was het niet de PvdA die het woord ‘zekerheid’ als leidend heeft gekozen voor de nieuwe koers. Voor velen zal de huidige zekerheid ingeleverd worden tot de onzekerheid van de snelle jongens van de beurs. Is dat een wenkend perspectief voor de sociaal-democraten?


Het kan beter en simpeler


Het Nederlandse pensioenstel staat niet voor niks op de eerste plaats in de Global Pension Index. De doorsneesystematiek biedt iedere deelnemer een duidelijk overzicht van inleg en gegarandeerd pensioen. Ieder jaar dat ik bijdraag aan de pot bouw ik 1,8% op voor mijn pensioenuitkering. Als ik 20 jaar in loondienst werk, bouw ik 20 x 1,8% = 36% van mijn gemiddelde loon op. Ga ik daarna 15 jaar als zzp’er aan het werk, dan moet ik voor die periode zelf een spaarpotje opbouwen. Als ik vervolgens daarna weer 8 jaar in loondienst ga werken in een andere sector, bouw ik daar weer pensioen op. Als ik de pensioenleeftijd heb bereikt, dan krijg ik uit vier bronnen een maandelijkse uitkering: AOW, pensioen uit eerste loondienstverband, mijn spaarpotje als zzp’er en pensioen uit mijn tweede loondienstverband. De collectiviteit en solidariteit zorgt ervoor dat ik gegarandeerde bedragen krijg. Tijden van tegenvallende rendementen worden gezamenlijk opgevangen en de voorspoedige tijden worden samen gedeeld. Het biedt rust en verbondenheid. Met de collectieve pensioenpotten ontstaat er meer stabiliteit in de samenleving en in de economie. Als we het pad opgaan van meer persoonlijke pensioenpotten, die heftig kunnen fluctueren met de conjunctuur zal het pensioenstelsel pro-cyclisch gaan werken. Dus versterkend in slechtere tijden. Een pensioensysteem van collectiviteit en solidariteit zal een meer anti-cyclisch effect hebben.
Een eenvoudig, solidair pensioenstelsel vereist wel aanpassing de regelgeving van de dekkingsgraden. Die moeten meer in balans worden gebracht met de werkelijke rendementen van pensioenfondsen en niet met de veel te conservatieve percentages van nu.

Er is nog wel een puntje in het huidige systeem dat goed geregeld moet worden. Dat wordt vaak gezien als de subsidie van jongeren aan ouderen. In mijn voorbeeld werk de persoon in kwestie de eerste 10 jaar in loondienst. Hij heeft 10 jaar lang premie ingelegd en er is 10 jaar rendement gemaakt op die inleg. Maar na die 10 jaar rendeert de inleg nog wel, maar er komt geen premie meer bij. Het kan dan niet zo zijn dat je op je pensioenleeftijd 10 x 1,8% = 18% van je middelloon gegarandeerd krijgt. Voor dat deel zou een eindwaardeberekening kunnen worden gemaakt op basis van een 10 jaar premie-inleg + rendement en 33 jaar rendement over het opgebrachte bedrag. Er kan gerekend worden met een gemiddeld rendement van het pensioenfonds. Op basis van het eindbedrag en de gemiddelde levensverwachting wordt een gegarandeerd pensioenbedrag vastgesteld.

Hier kun je het hele pensioenakkoord vinden: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/pensioen/toekomst-pensioenstelsel

Op de website van DNB staat alle informatie over de pensioenfondsen: https://statistiek.dnb.nl/dashboards/pensioenen/

In de NRC van zaterdag 8 juni staat een mooi inkijkje in het onderhandelingsproces: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/07/hoe-er-na-negen-jaar-toch-een-pensioenakkoord-op-tafel-ligt-a3963074


Michiel Verbeek, 8 juni 2019

© 2019 Michelverbeek.nl - webdesign door Landstra & de Groot webdesign